nlen

Op 20-jarige leeftijd begon Bernard Jansen in 1881 in Den Bosch een Magazijn van Vélocipèden. Toen in 1898 sprake was van een terugval in de rijwielindustrie, vooral bij de eersteklas kwaliteitsmerken, voegde hij de recent ontwikkelde motorfiets toe aan zijn assortiment; met zijn grote belangstelling in de moderne mogelijkheden van mobiliteit ging hij in het begin van de twintigste eeuw ook over op de verkoop van de automobiel. Jansen overleed in 1932, een tijd waarin er met betrekking tot het destijds toegenomen moderne wegverkeer al over verkeersperikelen werd gesproken.

Jansen, de sportman
Naast een nauwgezet zakenman was Jansen vooral een actief deelnemer aan de jonge sporten die zich in de laatste drie decennia van de negentiende eeuw voordeden.
Beide aspecten van de veelzijdige man hebben het stedelijk archief van s’Hertogenbosch tientallen meters archiefdocumentatie opgeleverd (1). We vinden daarin terug het reilen en zeilen van een pionier in de fietsenhandel. Maar ook het privé-leven van Jansen is voor het nageslacht een open boek. En daaruit blijkt dat hij niet alleen de vélocipède in Den Bosch introduceerde, maar dat hij in de jaren tachtig ook de basis legde van de moderne sportbeweging in de Brabantse hoofdstad.

Toen in 1883 het Nederlandsch Gymnastiekverbond vijftien jaar bestond, besloot het bestuur om in regio’s waar gymnastiek nog niet leefde, propaganda te gaan maken. In Den Bosch was kort voordien door Jansen de gymnastiekvereniging Samson opgericht; met zijn bemiddeling en hulp van de Sociëteit De Unie, die het evenement bekostigde, werden de leden van vier Amsterdamse turnverenigingen ontvangen om een weekendlang demonstraties te geven. De 25 leden van Samson waren merendeels leerlingen van de Rijkskweekschool, die met hun voorzitter Jansen wekelijks oefenden in het gebouw van het voormalig arsenaal.

Als eigenaar van een zeiljacht en penningmeester van de in 1890 mede door hem opgerichte Bossche Roeivereniging kon hij zich ook watersporter noemen. Als (bestuurs)lid van de Bossche IJsclub komen we hem bij diverse ijsevenementen tegen. In 1890 meldde hij zich bij de ijsclub Thialf in Heerenveen om deel te nemen aan het meesterschap van Nederland; hij bezocht in Amsterdam het Europees meesterschap voor heren-, dames- en paren-kunstrijden (1903), was aanwezig op de wintersporttentoonstelling in Den Haag (1904) en nam door de jaren heen deel aan diverse toertochten waarvan hij de controlekaarten bewaarde. Zijn grootste interesse – en daar lag ook zijn handelsbelang - ging uit naar de wielersport. In 1886 richtte hij de Bossche Wielrenners Kring op. Een jaar later werd de eerste Bossche wegwedstrijd op vélocipèdes verreden met daarnaast een wedstrijd in langzaam rijden.

We kunnen hier slechts een indruk geven van de mateloze energie die Jansen in zijn bedrijf en in de wielersport stopte. Jansen was uiteraard lid van de ANWB (no. 623), waarbinnen hij technisch adviseur was voor baan- en wegwedstrijden en het zaal- en toerfietsen, van de Nederlandsche Wielerbond en van diverse buitenlandse organisaties als The Cyclist, l'Union Vélocipédique en Der Deutschen Radfahrerbund, waarvan hij de evenementen en bijzondere vergaderingen meestal persoonlijk bijwoonde. Om zijn verkooprayon uit te breiden stond hij ook ingeschreven bij enkele lokale fietsclubs als de vélocipèdeclub De Postduif in Utrecht en bij de Antwerpse Bicycling Club. Laatstgenoemd lidmaatschap was van belang omdat de import van Engelse fietsen voor Jansen financieel gunstiger was, wanneer hij dit via België (Antwerpen) liet lopen!

Vanzelfsprekend was hij nauw betrokken bij wieler- en sporttentoonstellingen. We noemen de internationale tentoonstelling voor sport-, jacht- en reisbenodigdheden (Amsterdam, 1887), de jaarlijkse tentoonstellingen van de Nederlandsche Vereeniging de Rijwiel Industrie (vanaf 1890) de internationale sporttentoonstelling in Scheveningen (1892) en de voor de wielersport zeer uitgebreide sporttentoonstelling in Rotterdam (1897).

Jansen greep de nieuwe mogelijkheden van zijn tijd ten volle aan. Nieuw in het handelscircuit was de presentatie van een product door middel van reclameborden (posters), advertenties met afgebeelde personen, branchetentoonstellingen en het sponsoren van wielrenners. Op de wielerbaan van Breda stonden zijn reclameborden en bij de wielerwedstrijden tijdens de Bossche kermis waren de ogen gericht op de sponsor B.A. Jansen. De merken die hij voerde, werden in beeld gebracht in advertenties die hij bij abonnement plaatste in De Kampioen, De Katholieke Illustratie, De Noord-Babantsche Courant, De Telegraaf, De Hollandsche Lelie (voor de dames) , De Wielersport, Revue du Sport, l’Industrie Vélocipédique, Das Stahlrad, Der Radfahrer, en in catalogi van tentoonstellingen. Jansen’s advertenties stonden ook in het blad De Athleet, sportblad voor athletiek, voetbal,wielrennen, ijsvermaak, cricket, roeien en gymnastiek. Atleet zijn was synoniem met sportman zijn.

De zaken liepen goed, wat ook blijkt uit het voorwoord in de catalogus van de Nederlandsche Vereeniging ‘De Rijwiel Industrie’ uit 1895: ‘Wielrennen is van wufte onbelangrijke sport geworden tot een, vanuit een financieel en commercieel oogpunt, een maatschappelijk belang met een omzet van een miljoenen kapitaal’. De handelsambitie van Jansen kende geen grenzen. Hij exporteerde naar Frankrijk en Duitsland en correspondeerde probleemloos in Frans, Duits en voor zijn import uiteraard in het Engels. Ook Indië en Zuid-Afrika behoorde tot zijn afzetgebied.

De fietsenhandel en wandel van B.A. Jansen
Jansen had in 1880 op de grote show van vélocipèdes en tricycles in Crystal Palace te Londen kennis gemaakt met de Sparbrook Manufactory Company, gevestigd in Coventry, het centrum van de Engelse tri- en bicycle industrie. Een jaar later werd hij importeur en hoofdagent in Nederland voor de modellen die deze fabriek leverde. In de beginperiode waren dat voornamelijk driewielers, duodriewielers en hoge bi’s van het merk Sparbrook. Al direct na de introductie ervan kon hij het nieuwste op rijwielgebied leveren: de safety of lage tweewieler van Sparbrook en Yankee Style. Na verloop van tijd assembleerde hij zelf een model onder de naam Hecla. De fietsen werden onder ANWB-garantie verkocht en dat betekende dat ze van een eersteklas kwaliteit waren. Dat was met name van belang toen na 1895 de markt werd overspoeld door goedkope geïmporteerde Amerikaantjes die aan de lopende band waren vervaardigd en met scheepsladingen op de Europese markt kwamen (2). Jansen had ook een handel in kwaliteitsonderdelen, de B.A.J.-fittingen en – naven, Dunlop banden en Westwood velgen en niet te vergeten het wielrijdershandvatpistool, onmisbaar voor toeristen om honden en belagers van zich af te houden. Hij adverteerde ermee in De Kampioen (1892). De afbeelding laat zien hoe de loop in de handvatopening van het stuur paste; in een handomdraai had men het wapen paraat.

Eind jaren tachtig ontstond er een situatie waarbij de gegoede burger, adel, doktoren en vermogende zakenlieden hun tricycle wilden inruilen tegen de moderne tweewieler. Jansen was een hard onderhandelaar; hij was slechts als tussenpersoon behulpzaam bij de verkoop van in te ruilen modellen, en wist daar nog zijn voordeel mee te doen. Zo lag het ook bij een wedstrijdrenner die een vélocipède bereed en op een hometrainer trainde. Hij vroeg Jansen de vélo in te ruilen voor een safety om daarmee wedstrijden te rijden, maar Jansen dacht: ik wacht en hij koopt wel. Aan de andere kant kon de industrie de vraag naar safety’s nauwelijks aan. Jansen informeerde in Engeland naar tweedehands modellen, maar kreeg daar geen respons op.
Inmiddels had hij door heel het land agentschappen gevestigd die de merken Sparbrook, Yankee Style en Hecla verkochten op het zicht van de catalogus/prijscourant. Op de wervingsadvertenties voor deze agenturen reageerden dorpssmeden, verkopers van ijzerwaren of huishoudelijke artikelen en jongelui die zich aangetrokken voelden tot het wielrijden. Jansen trok de soliditeit en betrouwbaarheid van hen bij de plaatselijke bank na en kreeg dan soms het advies om het krediet niet te hoog te laten oplopen. De provisie hield Jansen naar eigen inzicht variabel, zo van 10% tot 20 %; hij had ook de gewoonte om de tussenpersoon aansprakelijk te houden voor eventueel renteverlies.

In 1896 verhuisde het bedrijf van de Nieuwstraat naar de ZuidWillemsvaart, waar ruimte was, zodat de zaak tot een moderne vestiging kon uitgroeien: Jansen’s Rijwielfabriek met rijwielschool en onderhouds- en reparatieservice. Modern was ook het interne marktonderzoek dat hij bij de vertegenwoordigers deed; hij vroeg naar hun mening over de positieve en eventueel te verbeteren negatieve aspecten van het Hecla-rijwiel. In zijn uitgebreide prijscourant werden de modellen voorafgegaan door een uitvoerige inleiding van drie pagina’s met uitleg over de productiewijze die resulteerde in een topkwaliteit waarmee de vrij hoge prijs werd gerechtvaardigd. De agenten vroegen Jansen herhaaldelijk om een exemplaar voor proefritten beschikbaar te stellen, eventueel tegen een huurprijs die bij aanschaf verrekend kon worden, maar de zakenman ging daar niet op in. Bij contract kreeg de agent per rayon het alleenrecht tot de leverantie, maar het kwam nogal eens voor dat er in zo’n gebied Sparbrooks werden gesignaleerd die, naar men zei, in Den Bosch bij Jansen waren gekocht. Jansen marchandeerde ook bij het plaatsen van zijn advertenties, waarop meestal een onaangename schriftelijke discussie volgde. De Telegraaf reageerde bij een dergelijke onderhandeling kortweg met: De Telegraaf scharrelt niet.

De correspondentie die hij met agenten én cliënten onderhield was enorm en omvat duizenden vol beschreven briefkaarten met aanvragen en verzoeken. Hij stuurde ook massaal brochures rond. In 1904 kreeg de strafgevangenis in Den Bosch van Jansen opdracht tot het schrijven, vouwen en plakken van circulaires voor 10.000 adressen. Voor wie dan wel? Jansen vroeg een bekende uitgever om een lijst van de in Nederland hoogst aangeslagene in de belasting. De uitgever gaf zijn lijst niet vrij, maar de namen waren ook uit de staatscourant te halen. De ANWB had naast de merken Humber en Rover ook haar aanbevelingsadvies voor Sparbrook gegeven en zo komen onder de klanten bekende namen voor als Van Geuns, Plantinga, Feith, De Jongh van Arkel en Qualterie van Wesel. Jansen hield persoonlijk nauwgezet zijn binnen- en buitenlandse correspondentie bij. Dat leverde meters archiefdocumentatie op. De grote verzameling van catalogi en prijscouranten daar aanwezig, geeft aan dat hij wist wat er in de wielerwereld te koop was.

Jansen als sponsor van wielertalenten
In het midden van de jaren negentig kwam Jansen naar voren als promotor van lokale wielerwedstrijden, zoals het concours van de Zevenbergsche Wielervereniging ‘Houdt de pedalen’ met de onderdelen: wedren over 10 km, langzaam rijden over 500 m, hindernisrijden, en 500 m met lange pijpen. Bij dit laatste moeten we niet denken aan de broekspijp, maar aan de zogenaamde ‘gouwenaar’, een stenen pijp met lange steel die, zoals dit ook bij schaatswedstrijden de gewoonte was, heel over de finish moest komen.
De belangrijkste activiteit om zijn merken in beeld te brengen was het sponsoren van veelbelovende renners bij (weg)wedstrijden. Daartoe had hij toprijders nodig die gebruik maakten van een door hem beschikbaar gestelde merkfiets. Mogelijk waren de resultaten van de wielrenner Cordang zijn referentie, want we treffen een lijstje aan van diens successen in de jaren negentig.

Weg- en baanraces waren aan de orde van de dag. In 1898 zag de ANWB af van verdere bemoeienis met de wielrensport; het wielrennen volgde toen eigen wegen. In hetzelfde jaar stelde de athletenclub De Bataaf een recordmedaille ter beschikking voor degene die in het betreffende wielerseizoen de meeste nieuwe records vestigde of oude records brak. Een jaar eerder had deze club Jansen aangeschreven om hun veelbelovende lid W.J.F.M. Meyer het gebruik van een snelle machine te gunnen. Jansen bood hem daarop een lichte Yankee Style met Simpson-ketting aan. Deze ketting liep bij het achterrad over een hefboomschakeling en dit systeem was onder wielrenners enthousiast ontvangen. De werking van het mechanisme zien we in de catalogus uitvoerig beschreven. Zijn wedstrijdcontract gold voor wedstrijden die georganiseerd werden door een baanbestuur, de ANWB, of door wielerclubs na overleg, en zag er als volgt uit. Jansen betaalde fl. 75,- bij de eerste wedstrijd en fl. 75,- aan het einde van het seizoen plus fl.15,- premie bij een eerste prijs en fl. 10 of fl. 5,- bij de tweede en derde podiumplaats, te betalen binnen acht dagen. Om op wedstrijden te mogen uitkomen had men een door de ANWB te verstrekken rijbewijs nodig, waarmee men zich tot de daarin gestelde wedstrijdvoorwaarden verplichtte. Een ervan was dat men nooit zou deelnemen aan een wedstrijd die open stond voor vrouwen. Het is dus niet vreemd dat in Nederland, waar fietsen door vrouwen maatschappelijk was aanvaard, er in tegenstelling tot de omringende landen geen wielerwedstrijden voor hen werden gehouden; het betreffende artikel over deze vrouwenboycot gold ook voor organiserende clubs en baandirecties.

Om naamsbekendheid te krijgen, zocht Jansen jonge renners die al successen hadden behaald. In 1887 stond het Europees 24-uurs record op naam van de Sparbrook Roadster bereden door de Delftse student J.H. Faber. In 1889 won de succesvolle schaatser K. Pander de wegwedstrijd die de Bossche Wielrenners Kring had uitgeschreven over zeven kilometer langs de kanaaldijk. Jansen wist beide renners met een contract aan zich te binden. Pander vroeg Jansen een racer te bouwen van hoogstens 12 kilo, met de nadrukkelijke wens de voorvork niet te steil te plaatsen. Het eerste product was geen succes. Pander beschreef zijn proefrit: ‘Mijn handen vielen eraf door de trillingen en het stoten; de kar is ongeschikt voor de wegwedstrijd. Aan mij ligt het niet: kijk naar mijn schaatssuccessen. De reparatie is niet voor mijn rekening, maar voor u of voor de fabriek!’ Pander vroeg om een betere machine, bijvoorbeeld de Light Roadster, om een hometrainer en om schoenen met racezolen. Hij voegde er wel aan toe dat hij ook andere aanbiedingen op zak had. Onder het motto goed voorbereid is half gewonnen stuurde Jansen de renner het gevraagde toe. Maar helaas werd Pander zwaar aangetast door de heersende influenza en moest hij diverse belangrijke wedstrijden laten lopen. Hij vraagt dan om een safety-tandem te mogen berijden om samen met zijn vriend, de renner Wackwitz, aan tandemraces op de baan in Nijmegen deel te nemen. De toegezegde tandem liet lang op zich wachten, zodat Pander in Nijmegen in de categorie tricycles de wedstrijd rijdt (zie de foto in Van Jaap Eden tot Jan Derks van de sportjournalist M.J. Adriani Engels (1947).

Vervolgens stelde Jansen de beide renners voor het 24-uurs record van Faber te verbeteren. Pander schrijft: ‘We werken als paarden; één tot twee maal per week 150 tot 200 km, maar goed materiaal is noodzakelijk’. Bij de bondswedstrijden in Rotterdam en bij de Bossche kermiscours – Pander logeert dan bij Jansen – waren wel successen voor hem weggelegd, maar met zijn agentschap ging het minder goed: ‘Door de voorbereidingen voor de wedstrijden, wat toch reclame betekent, ligt de verkoop op het tweede vlak’. Bij een van de wedstrijden zette een concurrent een pedaal in zijn wiel; Pander viel en reed gewond de rit uit. Het ging bergafwaarts met hem, getuige het schrijven van eind september 1889. ‘Amice, ik zend je alles, o.a. de safety-tandem, terug. Al mijn geld is op, totaal op, geen cent meer over. Wil je mij f 25,- lenen? Ik kan het aan mijn Ouwe vragen, maar dat verdom ik, nog een uitbrander erbij. Ben een eerlijke jongen: je ziet het terug. Wil wel gouden medaille wegbrengen, maar als ik dat doe, komen ze alle aan de beurt. Om die dingen waar ik me zoveel voor heb opgeofferd te verkopen, dat gaat moeilijk. Zend mij de f 25,- ten spoedigste. De tandem is gebroken, niet door een ongeval, maar door veel oefenen. De zaken gaan slecht, wie koopt er nu nog een nieuwe machine’? Het leven van de beroepsrenner was zwaar.

Begin jaren negentig had de ANWB er veel aan gedaan om een nieuwe doelgroep, namelijk vrouwen, op de fiets te krijgen en zo de rijwielindustrie een injectie te geven. De tandem werd ingezet als middel om hen kennis te laten maken met het weldadige vrijheidsgevoel op de fiets. Op dit aantrekkelijke voorstel reageerden met name geliefden; zo kon men zich destijds op een fatsoenlijke manier separeren! De bevestiging hiervan lezen we in de brief van de Sparbrook-agent uit Gorcum, die de verleiding niet had kunnen weerstaan. Hij vroeg Jansen tevergeefs de tandem terug te nemen: ‘Ik heb van tijd tot tijd spijt van mijn overijling in deze. Ik was een beetje verliefd, en de dame in kwestie reed…en dat deed mij de machine kopen en alle bezwaren over het hoofd zien’. Met de eerder genoemde renner die Jansen onder contract had, J.H. Faber, was hij evenmin succesvol. In de wintertraining (1898) had deze Delftse student door examens weinig gelegenheid om zijn conditie op peil te houden. De talentvolle Faber had eertijds zakelijk contact gehad met Bingham, handelsconcurrent van Jansen, en toegezegd een machine van hem af te nemen, indien hij zou gaan racen op de tandem. Dit verklaarde zijn schrijven aan Jansen in 1889: ‘Het is onaardig van je dat je Pander alles wat hij je vraagt leent, terwijl ik de tandem moet kopen, en dan ook nog moet vertellen dat ik hem te leen heb, in verband met Bingham. Ik zie hem wel eens in Rotterdam en bij familie en wil geen problemen’.

In de winter lag ook voor Pander het wielrennen op het tweede vlak. Hij trainde in St Moritz voor de schaatswedstrijden en correspondeerde vanuit Zwitserland met Jansen. Zijn broer behartigde dan in Haarlem het agentschap. Ook daar stagneerde de verkoop. Na de eeuwwisseling keerde Jansen de wielrennerij de rug toe; hij ging over op de handel in motorfietsen en blikte ook al naar het wonder op vier wielen, de automobiel. Hij had kennelijk te veel last van de import van goedkope fietsen uit Amerika: ik ben genoodzaakt veel op de weg te zijn voor zaken; dat ordinaire goed breekt je de nek. Jansen was iemand die werkelijk alles in eigen hand en beheer wilde houden. Een interessant gegeven vinden we in het kopieboek van uitgaande brieven die geheim moesten blijven. Daaruit blijkt dat hij correspondeerde met enkele doktoren, mogelijk klanten van hem, over de behandeling van renners met een verwonding. Aan een zekere dr Carpentier vroeg hij diens mening over de wondbehandeling die hij als therapeut bij zijn renners toepaste: 1/1000 oplossing sublimaat, de rose pilletjes van de Adler-fabrieken (die u in de verbandkist stopt), dan gummipapier en windsels er over. Ook komt medicatie met jodoform, sublimaat, myrthe-tinctuur, carbol, zeepwassingen, eau de Goulard en zinkzalf aan de orde. B.A. Jansen was een veelzijdig man.

Koos Steendijk-Kuypers