nlen

Bijna geen enkel woord in onze taal is zo gewoon en ingeburgerd als het woord fiets. Toch bestond het woord fiets nog niet toen die dingen, in de vorige eeuw, al weer enige tijd in ons land rondreden. De eerste types die in Nederland verschenen (dat waren meestal Michaux of daarvan nagebouwde Nederlandse exemplaren) werden toen nog vélocipèdes genoemd. De naam die er in Frankrijk aan was gegeven. Al snel zocht men echter naar een Nederlands woord als vervanging van dat toch wel lange Franse begrip. Zo werden onder andere door elkaar de benamingen trapwiel, schrijwiel, wielpaard en rijwiel gebruikt. Rijwiel, een logische en voor zichzelf sprekende benaming, vond algemeen ingang en werd voortaan in officiële stukken en wetten gebruikt. Maar hoe kwam men nu op fiets?

Er zijn verschillende theorieën over het ontstaan van het woord. Er wordt gezegd dat fiets een verbastering is van het Franse woord velocipede: Via “vellecepee”en fietselepee”zou het rijwiel uiteindelijk voor het gemak maar fiets zijn genoemd.

Maar er zijn nog mooiere verklaringen. Wat denkt u van deze? Fiets zou zijn ontstaan omdat de vroege types, die nog geen kogellagers hadden, een piepend (ja, u raadt het al: fiets-fiets-fiets) geluid gingen maken als de draaiende delen niet regelmatig werden ingevet.

Weer een andere lezing is dat fiets is ontleend aan een woord uit de zuid-limburgse volkstaal in de vorige eeuw. In het “Woordenboek der dorpsspraak van Heerlen” van 1884 is het woord vietse opgenomen. Dit zou zoveel betekenen als zich snel uit de voeten maken. Nu is dat zoals u weet met de fiets inderdaad goed mogelijk. Of vietse echt vanuit het zuid-limburgse over heel Nederland is verspreid, is niet meer meet zekerheid vast te stellen.

Een andere theorie die hier enigszins mee samenhangt luidt dat fiets is afgeleid van het Franse woord voor snelheid, vitesse. Uit betrouwbare bron (van Toon van Otterdijk) heeft schrijfster dezes vernomen dat vroeger in zijn geboortestreek in Brabant veel woorden rechtstreeks uit het Frans werden overgenomen en daarna enigszins vernederlandst gebruikt bleven worden. Dat de fiets, zeker in de vorige eeuw, toen alleen lopen en paard-en-wagen nog de meest voorkomende middelen van voortbewegen waren, gelijkgesteld werd aan snelheid, was te begrijpen. Sommige mensen maakten zulke snelheden met een fiets, dat er in verschillende gemeenten aan is gewerkt dit middel van vervoer, vanwege het gevaar voor anderen, te verbieden.

Een laatste verklaring voor het ontstaan van het woord fiets is het feit dat er in de vorige eeuw, alweer in het zuiden van het land, een vrouw heeft geleefd die “Ma Fiets” werd genoemd. Deze naam had ze te danken aan haar schommelende manier van voortbewegen. Een plaatselijke uitdrukking voor dat schommelend voortgaan was “fietsen”. De fiets bestond toen echter nog niet in Nederland. De theorie is dan ook, dat de rijwielen, toen ze in ons land verschenen, de naam fiets kregen vanwege de nog wat wiebelende manier waarop de eerste berijders zich er op voortbewogen.

Het zal altijd wel gissen blijven welke theorie de juiste is. Het maakt de verhalen er echter niet minder interessant door. Feit is wel dat we door het woord fiets gemakkelijk en snel kunnen aangeven wat we bedoelen. Want wat zou u kiezen? “Ik ga even een tochtje maken op mijn rijwiel” of “Ik ga even fietsen”?

Anja Lelieveld