nlen

Artikel uit uitgave 4, 2004

Bij het restaureren van oude fietsen komt veel kijken. Lastig onderdeel is het aanbrengen van nieuwe biezen. Vaak blijft dit daarom achterwege. Jammer, want goed opgebrachte biezen geven de finishing touch aan een gerestaureerde fiets. Zelf heb ik na een twintigtal gebiesde fietsen deze vaardigheid enigszins onder de knie, hoewel ik een goedwillende amateur blijf. In dit artikel beschrijf ik mijn manier van biezen. Als het even kan laat ik de bestaande lak en biezen intact. Juist de originele lak (met biezen en transfers) bepaalt in belangrijke mate de authenticiteit van een oude fiets. Waar dat kan beperk ik me tot het herstellen van de originele biezen. Een stuk makkelijker dan het aanbrengen van nieuwe biezen, maar altijd een secuur werkje. Kleur en dikte van de aan te helen biezen moeten zoveel mogelijk overeenkomen met het aanwezige patroon. Voor dit karweitje gebruik ik de biezentrekker (buisje met rolwieltje in diverse diktes, te bestellen bij de betere verfhandel). Bij herstel zullen soms ook geheel of gedeeltelijk nieuwe lijnen moeten worden getrokken, die naadloos moeten aansluiten op het bestaande patroon. Kleine oneffenheden werk ik bij met een smal penseeltje. Als de oude lak vervangen wordt, zullen ook de biezen opnieuw aangebracht moeten worden. Van belang is om, voordat de oude lak wordt verwijderd, het oorspronkelijke biezenpatroon zorgvuldig op te meten en vast te leggen. Van waar tot waar lopen de biezen, hoe lopen de dwarse lijnen precies, waar komen uitsparingen voor de transfers?

Bij het zetten van nieuwe biezen is het van belang dat de aangebrachte laklaag droog en hard is. Hoe harder en gladder de laklaag, hoe beter de ondergrond voor nieuwe biezen. Een goede voorbereiding is het halve werk. Zelf bies ik liefst het gestripte frame, dat eenvoudig in een Workmate is te plaatsen. Je moet er makkelijk bij kunnen, al was het maar omdat het aanbrengen van de biezen al lastig genoeg is. Terpentine en schone lappen moeten onder handbereik zijn om fouten snel weg te kunnen werken.

Nadat de biezentrekker op het goede startpunt is geplaatst, is het zaak de bieslijn snel en met vaste hand te trekken. Op ronde buizen gebruik ik de middelvinger als stuurinstrument, door deze als ware glijdend te fixeren langs de onderzijde van de buis. Kunst is om in één soepele beweging de bies te trekken. Op dit punt geldt: oefening baart kunst. Regelmatig gaat het bij mij nog fout; soms zijn vier of vijf pogingen nodig voordat een voldoende resultaat bereikt is. Bijna altijd is sprake van parallelle biezen. De eerste bies is maatgevend is voor de parallelle bies. Erg storend zijn wijkende biezen. In vergelijking met de ronde framebuizen zijn de platte achtervorken een stuk makkelijker. Je hebt hier meer houvast en glijdt minder snel van de buisronding af. Lastig onderdeel is de voorvork, niet alleen omdat de vorkbuizen van ronding veranderen, maar de bies ook in de goede kromming moet worden aangebracht. Bij dubbele biezen op de voorvork is dat nog lastiger.

De spatborden zijn het makkelijkst (die doe ik daarom meestal als laatste). Je hebt aan de rand van het spatbord optimaal houvast, waardoor het bijna niet fout kan gaan. Hetzelfde geldt voor de velgen, die eenvoudig zijn te biezen door de as te fixeren, het wiel langzaam te laten draaien en de biezentrekker op de goede plek vast te houden. Bijzondere aandacht vragen de dwarse biezen, waarmee ‘kaders’ worden gesloten of de bies naar de zijkant wordt afgewerkt. Het aanbrengen van deze korte lijnen is niet altijd simpel doordat je steeds met de ronding van de buis of spatbord mee moet rollen en gemakkelijk wegglijdt. Van groot belang is dat deze haakse (soms schuin weglopende) lijnen goed in patroon komen te staan (asymmetrische patronen kunnen het geheel behoorlijk ontsieren).

Nadat het basispatroon is neergezet volgt de afwerking. Te lange lijnen moeten worden afgekort, wat soms nog met terpentine lukt maar niet zelden door overschilderen (in de kleur van het frame) moet gebeuren. Ook de hoeken moeten netjes worden afgewerkt. Dit gebeurt met een klein penseeltje en luistert nauw. Tegelijk met de biezen zullen vaak nieuwe transfers worden aangebracht. Bijvoorkeur worden originele transfers toegepast dan wel afbeeldingen die daarbij dicht in de buurt komen. Het transfer wordt uitgeknipt met een rand van enkele millimeters om de afbeelding heen. De achterzijde smeren we met een kwastje in met dunne blanke lak. We zorgen dat de framelak op de betreffende plaats vetvrij is en plakken daar het transfer op zodra de lak ‘pikkerig’ is (als het goed is hecht het transfer dan gelijk). Nadat de blanke lak goed droog is (meestal een kwestie van uren), deppen we de voorzijde van de transfer (dun, beschermend vloeipapier) met een nat sponsje en kunnen dan het papiertje er voorzichtig aftrekken. Als het goed is komt het transfer nu in volle glorie tevoorschijn. Soms blijkt dat de hechting aan de ondergrond niet helemaal goed heeft plaatsgevonden en laat deze hier en daar los. We kunnen dit verhelpen door voorzichtig een laagje blanke lak over het transfer als geheel op te brengen.
Als de originele transfers (al dan niet beschadigd) nog aanwezig zijn, verdient het overigens de voorkeur deze bij te werken. Ook dat is een precies karweitje.

Zelf bies ik inmiddels een fiets in een uurtje tijd. Het resultaat is niet van hetzelfde niveau als dat van de fabrikanten (die hiervoor vaak specialisten in dienst hadden), maar goed genoeg voor de restauratiepraktijk. Mooie biezen maken de fiets in decoratief opzicht af, maar andersom geldt dat slecht opgebrachte biezen (te dik, scheef of kronkelig) afbreuk doen aan de gerestaureerde fiets. Als u de vaardigheid niet voldoende onder de knie heeft, is het beste advies om dit gevoelige klusje uit te besteden. Een klein aantal sierschilders beheerst deze oude techniek, maar ook onze club telt een aantal vaardige leden. Misschien is het een idee nog eens een workshop op dit gebied te organiseren.

Jos Rietveld