nlen

Artikel uit uitgave 4, 2009

Inleiding
Er werd laatst al gesproken van een cardan-epidemie. Op de Yahoo groep ‘oudefietsen’ had ik namelijk een berichtje geplaatst over een Burgers cardanfiets die in mijn bezit was gekomen en dat leverde een enorme hoeveelheid reacties op. Er volgde de suggestie om alle interessante informatie, die uit allerlei hoeken naar boven kwam, te bundelen in een artikel voor De Oude Fiets. Dat doe ik graag, het resultaat ziet u hieronder.

cardan01


Benamingen
Om te beginnen, de benaming cardanfiets is in feite onjuist. Een cardankoppeling is bij auto's wel maar bij fietsen niet aanwezig in de aandrijfas. Dürkopp ging in de jaren dertig voor fietsen de benaming Kardanantrieb gebruiken. Dit in navolging van motorfietsfabrikanten als Zündapp en BMW. Die motorfietsen hadden net zo min een cardankoppeling als de fietsen van Dürkopp, maar ze stonden bekend als topproducten. Daar haakte Dürkopp graag op in.


Voor die tijd spraken de Duitsers van Kettenlos, de Engelsen en Amerikanen van Chainless, de Fransen van Sans Chaîne. Ook niet gelukkig gekozen, kettingloos kan van alles zijn. Denk aan een hoge bi.

Wel gelukkig gekozen was de naam Acatène. Dat is in Frankrijk een algemeen woord geworden voor kettingloze (motor)fietsen terwijl het eigenlijk een merknaam was. De fietsenfabrikant La Métropole uit Parijs had deze naam verzonnen voor zijn fietsen met asaandrijving. Het is geen echt Frans woord. Catene is Italiaans voor kettingen. Met de letter A er voor betekent het dan ‘zonder kettingen’. Met de accent grave op de e leek het een Frans woord afkomstig uit het Latijn. Het was een goed bedachte naam want het werd een begrip. Of La Métropole daar gelukkig mee was? In de catalogus lees je:


“LA MÉTROPOLE waarschuwt zijn cliënten, en ook de industriële wereld, dat het woord ‘ACATÈNE’ speciaal gedeponeerd is volgens de Conventie van Bern en daarom een fabrieksmerk is dat haar exklusieve eigendom is geworden.”

cardan02
Advertentie voor de Burgers Acatine in de Leeuwarder Courant van 19 juli 1877.


Hoe noemde de Nederlandse fietswereld dit soort fietsen? Rijwielhandel J. Nefkens uit Amersfoort adverteerde al in 1897 met een ‘Acatène Torpedo Heeren Safety’. Torpedo was een Duits merk dat niets van doen had met Métropole. Burgers presenteerde in zijn catalogus van 1898 het Burgers' Kamrad-Wiel (Wiel werd toen als populaire naam voor rijwiel gebruikt, fiets was nog volkstaal). Ze waren er nog niet uit, daar in Deventer, want in kleine lettertjes stond er ook bij vermeld ‘Acatène of kettingloos Rijwiel’. In latere catalogi gebruikt Burgers de naam Acatène vetgedrukt. Met of zonder toestemming van Métropole, we weten het niet. Vernederlandst, geschreven als Acatine, zo ongeveer is de Franse uitspraak, kom je de benaming ook tegen, zelfs in een Burgers advertentie in de Leeuwarder Courant in 1897. In dit artikel houden we het toch maar op cardanfiets, misschien niet helemaal correct, maar wel ingeburgerd in ons land.


Waarom geen ketting?
In de begintijd was de matige kwaliteit van kettingen een van de argumenten voor cardanaandrijving. In de catalogus van 1897 van de Engelse Acatène werd je dan ook regelrecht bang gemaakt voor een fiets met ketting. Bij de beschrijving van de techniek staat in de kantlijn “The trouble of the horrible chain, Dirty, Dangerous” en even verder “Broken chain may mean death”. Bij een doortrapper is een gebroken ketting inderdaad geen prettig vooruitzicht.

In die catalogus van The Acatène Cycle Company wordt terzijde vermeld dat hun fietsen door Humber worden gebouwd. Het firma-adres, Holborn Viaduct 22 in Londen, is 'toevallig' naast het kantoor van Humber. En opmerkelijk, Humber heeft de cardanfiets ook in zijn eigen catalogus staan, tussen de vele modellen met kettingaandrijving. Maar hier geen woord over de gevaren van zo'n ketting!

De fabrikanten van cardanfietsen adverteerden ook met een geruisloze en lichte gang. Als je nu op een oude cardanfiets stapt lijkt het tegendeel waar. Maar de blokkettingen van voor 1900 waren natuurlijk ook geen toonbeeld van soepel draaien.

cardan03
Aandrijving met pennen en rollen bij Adler. (catalogus 1902)
cardan04
cardan05
De aandrijving van de Burgers 1897 volgt het principe van Metropole. (catalogus 1897) Inwendige aandrijfas bij Columbia 1898. (catalogus 1898)
cardan06
Aandrijving met het grote tandwiel in het midden van de Burgers Eclips. (catalogus 1902)


Diverse constructies

Wie wel eens een windmolen van binnen heeft bekeken, kent ze wel, de primitieve tandwielen die bestaan uit houten schijven met een aantal pennen er op. Zulke tandwielen werden in het begin ook voor cardanfiets-aandrijvingen gebruikt, maar dan wel van staal en met rollen op de pennen. Moderne kegelvormige tandwielen, in 1882 uitgevonden, kregen echter de voorkeur bij de meeste fabrikanten. De fabricage van zulke tandwielen was nog moeilijk. In de catalogus van 1912 bekent Dürkopp dat het tot dan niet mogelijk was geweest om de tandwielen voldoende nauwkeurig te maken. Maar dankzij de aanschaf van moderne machines was dat nu wel het geval.


Voor de opstelling van de tandwielen bestonden er ook verschillende oplossingen. Het grote tandwiel op de trapas kon aan de buitenkant zitten of in het midden van de trapas. Dat leverde verschillende draairichtingen op van de cardanas. Het achterste tandwiel op de cardanas zat dus in het eerste geval voor de achteras, in het tweede geval er achter.

Bij die eerste opstelling, kon de cardanas uit een buis bestaan die om de achtervorkbuis heen draaide. De achterpat was dan losschroefbaar om alles te kunnen (de)-monteren. O.a. Métropole, Burgers en Fongers pasten dit toe. Het nadeel was de geringe stijfheid van het frame. Bij een kettingaandrijving niet zo'n probleem, bij een tandwielaandrijving wel. Beter opgelost was dit bij de Columbia Chainless met inwendige cardanas. De achtervork splitst zich hier net voor het achterwiel.


De tweede opstelling, grote tandwiel in het midden van de bracket, levert de meeste stabiliteit op. Succesvolle cardanfiets-fabrikanten als Pierce, Dürkopp en F.N. volgden dit patroon. Burgers paste deze opstelling later ook toe in de duurste uitvoeringen van zijn cardanfietsen.

cardan07
Conisch tandwiel met rechte en gebogen vertanding. (Göricke catalogus 1929)


In 1925 verschenen er voor het eerst conische tandwielen met gebogen (helicoïdale) vertanding. Dank zij de geruislozere werking werden ze al snel toegepast in de meeste auto's. Göricke, naast Dürkopp de enige overgebleven cardanfiets-maker in Duitsland, koos ook voor de gebogen vertanding. De ‘Kreisbogenverzahnung’ zorgde voor een nog lichter lopende fiets adverteerde Göricke. De hedendaagse cardanfietsen met Taiwanese techniek hebben ook dit soort tandwielen.

Moderne cardanfietsen bezitten versnellingsnaven maar ook vroeger boden enkele fabrikanten al versnellingssystemen aan. Columbia kwam in 1903 met een dubbel stel conische tandwielen op de achteras. Schakelen ging door even achteruit te trappen. Bij de Dürkopp met twee versnellingen was er een trommel met een planetair tandwielstelsel op het achterste tandwiel van de cardanas gemonteerd en schakelde men met een bovenbuisversteller.


Een heel mooie combinatie van cardanaandrijving en achtervering was te vinden bij Columbia en Pierce (dus ook bij de Success).


Toch geen succes

Rond 1900 leek cardanaandrijving de toekomst te hebben. Bij auto's ging dit op, in 1910 was de kettingaandrijving op een enkele uitzondering na verdwenen. Dat leek ook te gaan gebeuren bij fietsen. Veel belangrijke fietsenfabrikanten, ook in Nederland, zorgden er voor een cardanfiets in hun programma te hebben om de boot niet te missen. Het liep anders. In diezelfde periode werden de kettingen sterk verbeterd en gesloten kettingkasten deden de overige voordelen van de cardan teniet.

cardan08
Wielrenner Otto Meyer op de Dürkopp cardanracefiets. (Dürkopp catalogus 1913)


Ook een rol speelde, al of niet als vooroordeel, het zwaarder lopen van een cardanaandrijving. Fabrikanten probeerden het tegendeel te bewijzen door deelname aan recordritten en wedstrijden. Métropole ging in 1897 prat op diverse wereldrecords op baan en weg, behaald met hun Acatène. De wielrenner Otto Meyer behaalde vele overwinningen op een Dürkopp cardanfiets. De Duitse fabrikant adverteerde daarmee en voegde er aan toe dat de man meer dan 100 kg zwaar was. Toch kon dat de sceptici niet overtuigen. Het boegbeeld van Burgers, de wielrenner Marten Kingma, reed trouwens op een kettingfiets. Vooral bepalend was de prijs. Kijk eens in de Burgers advertentie van 1902. Kettingfietsen van dit goed bekend staande merk stonden in de winkel met prijzen van ƒ 80,- tot ƒ 140,-. De cardanmodellen zaten hier ver boven met prijskaartjes van ƒ 140,- tot ƒ 225,-. Bij andere merken lag dat niet heel veel anders.


Rond 1915 was het met cardanfietsen dan ook voorbij voor vrijwel alle merken. Göricke maakte 1929 de laatste, F.N. leverde nog tot begin jaren dertig en Dürkopp stopte er in 1950 mee. Latere pogingen van diverse fabrikanten brachten, tot nu toe, ook niet veel succes. Zo bood Raleigh Denemarken een paar jaar lang een cardanmodel aan maar in de catalogus van 2010 komt het model al niet meer voor.

cardan09
Stokvis importeerde een Deense cardanfiets, alles krom maar de cardanas bleef recht! (advertentie ANWB Kampioen 1901)


Cardanfietsen in Nederland
In ons land ontstond uiteraard ook belangstelling voor cardanfietsen. Bladerend door de jaargang 1902 van De Kampioen vind je advertenties voor de volgende merken: Adler, Allright, Burgers, Concordia, Dürkopp, FN, Gritzner, Imperial, Simplex, Staffelrad, Succes, Wanderer. Je ziet, hier zaten ook al enkele Nederlandse namen bij. Er zijn nog veel vragen open, over de Nederlandse cardanfietsmerken. Toch wil ik vermelden wat ik tot nu toe aan informatie heb kunnen verzamelen, vooral dankzij bijdragen van diverse Yahoo-forumleden.


Burgers als pionier

De Eerste Nederlandse Rijwielfabriek uit Deventer was wat betreft cardanfietsen een pionier. Niet alleen in ons eigen land maar ook internationaal. Frans Netscher, hoofdredacteur van De Kampioen schrijft in het nummer van 5 maart 1897 het volgende over Burgers: “Binnenkort zullen door deze Fabriek ook kettinglooze Rijwielen geleverd worden, gedeeltelijk met gewoon, gedeeltelijk met Excentrisch gear”.


Dat inderdaad de eerste Burgers cardanfietsen dat jaar gebouwd zijn blijkt uit een advertentie in de Leeuwarder Courant van 19 juli 1897: “De gang is beter dan die van Rijwielen met ketting. Gear case overbodig, reparatie gelijk nul. Wij hebben een proefmachine in ons Magazijn staan en kunnen koopers zich vooraf overtuigen. Wij kunnen wijzen op de zeer vele berijders van BURGERS ACATINE, die zich er allen zeer gunstig over uitlaten.”


Burgers kwam dus eerder met cardanfietsen op de markt dan andere pioniermerken als F.N., Columbia, Dürkopp of Peugeot. En was ook niet veel later dan Métropole die met de Acatène in 1894 de eerste cardanfiets in Europa produceerde.

cardan10
De eerste Burgers Acatène 1897, ook wel Kamrad-Wiel genoemd. (catalogus 1897)


Licentie of namaak?
Dat is een nog onbeantwoorde vraag. Burgers gebruikte de door Métropole beschermde naam Acatène. Ook de constructie van de eerste types had veel weg van de Métropole producten. Er zijn enkele mogelijkheden; Burgers kreeg de aandrijving toegeleverd door Métropole, of had een licentie van La Métropole, of gebruikte de naam ACATÈNE ten onrechte.

Sommige fabrikanten leverden hun cardan-aandrijvingen aan collega-fabrikanten. Van F.N. bijvoorbeeld is bekend dat ze Opel en Naumann van cardantechniek voorzagen. De door de Britse Humber gebouwde Acatènes bezaten van Métropole afkomstige aandrijvingsdelen. Enkele feiten wijzen er echter op dat de fabriek in Deventer de aandrijving zelf vervaardigde. Zo staat in het boek ‘Deventer als industriestad’, dat in 1907 verscheen, het volgende:

cardan11
Draaierij bij Burgers met kistje Acatène tandwielen op de voorgrond. (foto Museum de Waag Deventer)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


“Draaierij. Hierin bevinden zich een 50-tal banken van de laatste constructie als: automatische banken voor het maken van kegels, kogelpotten, moeren, bouten, enz. enz., automatische fraisbanken voor het maken van de kamwielen voor de kettinglooze rijwielen en de vleeschsnijmachines (de BURGERS E.N.R. fabriek is de eenige fabriek hier te lande, die de overbrengingsorganen voor hare kettinglooze machines zelf vervaardigt).”
Fietsen werden toen ook nog machines genoemd. Een andere aanwijzing is een foto van die draaierij, levensgroot te zien in het Deventer Museum De Waag, waar op de voorgrond een kistje staat met kegelwielen. De foto moet van voor 1903 zijn. Henricus Burgers staat er nog op tussen zijn personeel. Hij overleed op 1 januari 1903.


Ook bestonden er detailverschillen tussen de Franse en Nederlandse Acatènes. Het grote tandwiel op de trapas was anders uitgevoerd evenals de schermkappen. Dat zou natuurlijk kunnen in het geval van een licentie.


De mogelijkheid dat Burgers het Franse voorbeeld min of meer gekopieerd heeft is aanwezig. In het Duitse tijdschrift ‘Der Radmarkt’ verscheen in februari 1897 een artikel over patenten voor cardanaandrijving. Ze concludeerden dat er slechts bescherming bestond voor bepaalde uitvoeringsvormen en de Franse constructie ongestraft kon worden nagemaakt. In de vroege historie van de Deventer fabriek is te zien dat de internationale ontwikkelingen op de voet gevolgd werden en men niet aarzelde om nieuwe fietsconstructies over te nemen (zie het artikel van Jos Rietveld over Burgers in De Oude Fiets nr. 4-1997).


Het tweede model cardanaandrijving van Burgers heeft de opstelling van de tandwielen zoals bij o.a. F.N. en Dürkopp. Hier lijkt geen sprake van een kopie. De Burgers constructie heeft een deelbaar trapashuis, duidelijk te herkennen aan de vier ‘oortjes’ met bouten. Een dergelijke uitvoering heb ik bij geen enkele andere fabrikant terug kunnen vinden.


Varianten

Zoals hiervoor al vermeld, maakte Burgers naast de cardanfiets volgens het systeem van Métropole ook modellen met een aandrijving waarbij het grote tandwiel midden in de bracket zat. Een advertentie in De Amsterdammer van 5 augustus 1900 zegt het volgende: “Vraagt de geheel nieuwe Burgers' Eclips-Acatène (kamwielen in 't midden der bracket).- Prijscouranten gratis.”


Dat dit model niet was bedoeld als opvolger van het eerste systeem, maar als een duurder model, blijkt uit de prijscouranten. In de catalogus van 1906 werden beide typen nog steeds naast elkaar vermeld. Het eerste type als ‘Acatène’, het tweede type als ‘Eclips Acatène’ of kortweg als ‘Eclips’.

cardan12
cardan13
Burgers Dames Acatène, voor ƒ 145,– in de catalogus van 1906. Burgers Dames Eclips, voor ƒ 180,– in de catalogus van 1906, zoek de verschillen.

Heel interessant is het volgende verslag in De Kampioen van 28 februari 1902: “De Eerste Nederlandsche Rijwielfabriek te Deventer exposeert op Stand No. 10 eenige nieuwtjes. Vooreerst een kettingloos motorrijwiel, bestaande uit een ‘Burgers-acatène’, systeem Métropole, voorzien van een Minerva-motor. De Machine heeft de terugtraprem in het trapasstuk. Voorts vindt men hier een kettinglooze machine met facultatief vrijwiel. Door een veerende pal die in het vrijwielmechanisme van den bracket ingrijpt, met behulp van een hefboompje in het midden der bovenbuis aan een staaldraad verbonden, op te trekken of te laten zakken, kan men het vrijwiel naar willekeur in of buiten werking stellen. Dit nieuwtje is ook toegepast op het toevouwbaar rijwiel, systeem kapt. Van Wagtendonk, dat, zooals men weet, door de Eerste Nederlandsche vervaardigd wordt. We hebben dus nu al een kettingloos legerrijwiel met freewheel en terugtraprem.” (zie Themanummer Vouwfietsen bij Burgers)


In de catalogus van 1906 komt dat uitschakelbare vrijwiel niet meer voor. Wel kunnen de fietsen naar keuze met of zonder vrijwiel geleverd worden, verschil in prijs ƒ 10,-. In die ƒ 10,- is een achtervellingrem inbegrepen. Vermeld wordt dat het vrijwiel bij de Acatène in het achterwiel zit, bij de Eclips in de bracket. Interessant is ook dat een ‘dubbele versnelling’ aangeboden wordt voor ƒ 35,-. Jammer genoeg is niet aangeven hoe dat uitgevoerd is.

cardan14
Wielrenner Otto Meyer op de Dürkopp cardanracefiets (Dürkopp catalogus 1913).


Overgebleven exemplaren

Tot nu toe zijn er zes overgebleven Burgers cardanfietsen bekend. Drie daarvan zijn herenfietsen met het eerste type cardan. De twee die respectievelijk in Velorama Nijmegen en in Museum De Waag in Deventer staan lijken van rond 1900. De derde is een veel later exemplaar, waarschijnlijk zelfs van na 1910.


De andere Burgers cardanfietsen hebben nummers tussen 37.000 en 40.000. Een aantal zaken wijst er op dat ze alle drie van het bouwjaar 1907 zijn. Die met het laagste nummer is een Heeren Eclips model AE 60. De middelste is een Dames Acatène model A 53 (dus met eerste type cardan). Die met het hoogste nummer is een Dames Eclips model AB 53. Die laatste is mijn exemplaar, die waarmee de “epidemie” op het forum begonnen is. Mijn fiets bezit het vrijwiel in de bracket, een bandrem op het voorwiel, maar niet de achtervellingrem. De Heeren Eclips heeft wel vellingremmen. Die waren van het systeem Bowden, met kabelbediening dus. De achterrrem zit op de staande vork, de uitvoering die Bowden vanaf 1904 leverde.

Emblemen
Het eerder genoemde boek uit 1907 ‘Deventer als industriestad’ geeft wat inzicht in het gebruik van naam en logo bij Burgers:


“Daar in den loop der tijden in ons land eenige naamgenoten van den Heer Burgers zich eveneens in het rijwielvak begeven hadden en de door hen geleverde rijwielen voorzagen van den naam BURGERS gaf dit meermalen aanleiding tot verwarring en teleurstelling. Een BURGERS rijwiel koopende, meende men steeds dat dit uit de bekende Deventer fabriek kwam, en hield zich dus overtuigd van de soliditeit. Later ontdekte men evenwel tot zijn spijt en dikwijls ook schade, het verschil. Om dergelijke teleurstellingen te voorkomen, voorziet de fabriek thans hare machines behalve van den naam ‘BURGERS’ nog van de letters: ‘E.N.R.’, terwijl iedere machine op het balhoofd voorzien is van een der twee bijstaande fabrieksmerken.”

Bij overgebleven fietsen zien we beide logo's, uitgevoerd als transfer of in de vorm van een aluminium balhoofdplaat. De laatste lijkt alleen op de duurdere modellen gebruikt te zijn.


Andere Nederlandse merken
Burgers bleef niet de enige fietsfabrikant in ons land met een cardanfiets in zijn programma. Diverse buitenlandse bedrijven leverden losse sets aandrijfdelen, zodat zelfs kleinere merken de mogelijkheid kregen om een dergelijke fiets te bouwen. Zo kon men voor originele Acatène onderdelensets terecht bij de firma M.W. Aertnijs in Nijmegen. In een brochure uit 1899 staat o.a. het volgende geschreven:

cardan15
Voor ƒ 95,– maakte deze complete set elk bedrijf tot cardanfietsfabrikant. (folder Metropole importeur Aertnijs 1899)


“De Acatène Métropole heeft na een vijfjarigen voorbeeldloozen strijd de wielrijdende wereld eene wijziging in de krachtoverbrenging gebracht, die in korten tijd overal zal zijn aangenomen. De ketting heeft zijn rol afgespeeld en elke werkelijke luxe-machine moet thans met kamrad-overbrenging gemaakt worden.”

“De Directeuren der Métropole geven den alleenverkoop der Acatène onderdeelen aan den heer M.W. AERTNIJS te Nijmegen, voor geheel Holland en zijne Koloniën, en verzoeken derhalve H.H. fabrikanten hunne bestellingen aan deze firma te willen richten. Tevens verzoeken wij onze geachte afnemers ons hunne bestellingen zoo spoedig mogelijk te willen doen, want wij hebben voor 1899 reeds eenige groote contracten in handen.”


“Alle machines die met onze overbrenging gemaakt worden, moeten nevens hun fabrieksmerk, het merk dragen: Acatène Licence Française.”

Er kon gekozen worden tussen een set met alleen de tandwielen en schermkappen en een complete set delen waar ook de bracket en achtervork bij waren inbegrepen.
Welke Nederlandse fabrikanten gebruikt maakten van deze Franse onderdelen is niet duidelijk. Hieronder een alfabetisch overzicht van de Nederlandse cardanfietsmerken die ik tegenkwam naast Burgers.


Aeölus
De cardanfiets van deze Rotterdamse fabriek lijkt als twee druppels water op die van Dürkopp en kwam daar waarschijnlijk ook vandaan. Er bestaat nog een Aeölus heren-cardanfiets, in 2007 is er mee deelgenomen aan de I.V.C.A. Rally in Oirschot.


Batavus

In het fabrieksmuseum in Heerenveen is een cardanfiets opgesteld, voorzien van een Batavus balhoofdplaatje. De fiets toont veel overeenkomsten met een F.N. uit begin jaren '10. Het kan zijn dat Batavus dit model toen uit België betrok. Zelf weten ze er in Heerenveen ook het fijne niet meer van. Er zou door Batavus in de late jaren vijftig nog een kleine serie prototypes met cardan gebouwd te zijn.


Bato

Recentelijk is er op Marktplaats geadverteerd met een Bato cardanfiets. De fiets ziet er niet uit als een serieproduct, wel als een jaren '60 fiets. Mogelijk is het een eigenbouw. Of zou het een prototype van Batavus zijn? Die hebben Bato immers in 1958 overgenomen.


Beixo

Vanaf 2006, naar Nederlands idee, in Azië gebouwde cardanfietsen. Er worden vouw- en stadsfietsjes aangeboden, modellen die normaal geen kettingkast bezitten. Daar kan de cardanaandrijving zijn voordeel uitspelen.


Eysink
In de catalogus van 1906 biedt de ‘Amersfoortsche Rijwiel Automobiel en Machinefabriek’ een cardanfiets aan. Er is geen overgebleven exemplaar bekend.


Fongers

De bekende ‘Groninger Rijwielen Fabriek A. Fongers’ bood vanaf 1899 cardanfietsen aan, maar niet van harte. In 1901 stond er nog een dames- en een herenmodel in de catalogus, in 1903 niet meer. Er is geen overgebleven exemplaar bekend.

cardan16
Fongers Model G cardanfiets, slechts korte tijd gemaakt. (catalogus 1901)


La Espero
Dit merk is nog een raadsel. Er is een frame bekend, voorzien van transfers met ‘La Espero’ en ‘Nederlands fabrikaat’. De tandwielen waren voorzien van gebogen vertanding. De voorvork was er een met vernikkelde kroon (zonder kapje) en dichte uiteinden. Dergelijke tandwielen bestonden vanaf 1925. De voorvork duidt op een bouwjaar dat niet veel later kan zijn. Mogelijk is er een connectie met de Duitse Göricke cardanfiets. Die bezat in de tweede helft van de jaren twintig dezelfde kenmerken.


Multicycle

Deze fabrikant van fietsen in de hogere prijsklassen maakte vanaf 2004 de Cardance, een fiets met cardanaandrijving. Inmiddels is het model al weer uit het programma verdwenen.


Simplex
Deze Amsterdamse fabriek wilde ook de boot niet missen en kwam in het voorjaar van 1901 met een cardanmodel. Het lijkt erop dat ze de aandrijving zelf maakten want een redacteur van de ANWB Kampioen schrijft bij zijn bedrijfsbezichtiging in januari 1901: “Genoeg zij het te constateeren, dat in de fabriek ook pedaalkrukken gefraisd worden en dat daar in de laatste weken ook hard wordt gewerkt om een voorraad schuine kamraderen te fraisen, bestemd voor de kettinglooze machines, die Simplex dit jaar aan de markt zal brengen.”

cardan18
Simplex 1901 met kamraderen van eigen fabrikaat. (advertentie ANWB Kampioen 1901)


De Kampioen redactie kreeg een zo'n Simplex op proef. In januari 1902 werd er verslag gedaan: “Van de Simplexfabriek kregen we namelijk bij aanvaarding van het nieuwkoopje bericht, dat het drijfwerk dik gesmeerd was met vaseline, zodat we ons voor den tijd van een half jaar ontheven achtten van de verplichting tot smeren. Nu, het is evenmin noodig gebleken als zorgvuldig reinigen. De Simplex-kettinglooze is dus bijv. wel een aanbevelenswaardige dienaar voor heeren doctoren, die groote afstanden in de stad hebben af te leggen en hun patiënten met spoed wenschen te bedienen.” In de folder van 1907 staat nog steeds zo'n model. Er is geen overgebleven exemplaar bekend.

cardan17
Een van Baving's opvallende advertenties voor de Succes in 1902. (advertentie ANWB Kampioen 1902)


Success
Dit was een merk van Klaas Baving uit Zwolle. De aangeboden cardanfietsen kwamen van Pierce Cycles uit de USA. Ze waren voorzien van een balhoofdplaatje met de naam Success en de tekst ‘Especially made for Klaas Baving Zwolle’. Pierce begon in 1900 cardanfietsen te fabriceren. Al in 1902 plaatste Baving opvallende advertenties voor deze modellen in De Kampioen. In 1916 adverteerde H.G.A. Ackmann, die het bedrijf van Baving in 1912 had overgenomen, nog in De Wielersport met de Success cardanfiets. In 1918 stopte Pierce met de fietsproductie. Er zijn nog enkele Success cardanfietsen bekend binnen de vereniging. Zie ook het artikel van Theo de Kogel in De Oude Fiets 4/2007.


Wilhelmina
De firma Adler & Van den Brink in Zeist had in 1900 in de catalogus van hun Wilhelmina fietsen een Kettingloos Rijwiel opgenomen. Als bijzonderheid staat vermeld dat de tandwielen voorzien zijn van een dubbele rij tanden:


“Het voordeel van dit soort tandraderen is dat de machine geheel niet trilt en dat het breken van de tanden niet meer kan voorkomen.”


De Staffelradwerke uit Keulen pasten dergelijke tandwielen toe en bezaten een patent hierop. Mogelijk was de Wilhelmina tweewieler gedeeltelijk van Duitse afkomst. Er is geen overgebleven exemplaar bekend.

cardan19
Wilhelmina, van Duitse afkomst?

Tot slot
Dit artikel kon tot stand komen dankzij de kennis en het beschikbaar stellen van afbeeldingen van een aantal leden van onze vereniging. Met name bedanken wil ik hier Kees van Bovenkamp, Filip Dumon, Jos v.d. Horst, Gerrit Kan, Theo de Kogel, Herbert Kuner, Jos Rietveld, Koos Smit en Hans v.d. Stouwe. Als iemand nog aanvullende informatie heeft, in het bijzonder van de Nederlandse cardanfiets-merken, hoor ik het graag.


Sjoerd ter Burg