nlen

Artikel uit uitgave 2, 2002

tortwee1In het vorige nummer van 'De Oude Fiets' werd een Torpedo-Automatic tweeversnellingsnaaf te koop gevraagd. Automatic of Duomatic?

De Automatic is in veel geringere aantallen gemaakt dan de Duomatic en misschien daarom ook minder bekend. De naaf ziet er vrijwel hetzelfde uit als de Duomatic, d.w.z. een geribbeld, cilindervormig chroomstalen huis, met remsleutel maar zonder schakelkabel, en heeft exact dezelfde buitenmaten als de Duomatic. Op het huis staat het laatst gebruikte logo van Sachs en het aantal spaakgaten, aan de linkerkant zit een zwarte ring waarop Torpedo Automatic staat. Binnenin zit een mechaniek waardoor de naaf op de middelpuntvliedende kracht, dat wil dus zeggen op de omwentelingssnelheid van het achterwiel schakelt.

tortwee2Net als bij de Duomatic zijn de overbrengingsverhoudingen 1:1 en 1: 1,362. Bij het wegrijden is altijd automatisch de kleinste versnelling ingeschakeld. Afhankelijk van de wieldiameter schakelt de naaf bij 16-18 km op of af. Het geheim zit hem in een ring met twee vlieggewichten, die samen 41 gram wegen. De twee gewichtjes drukken twee nokken (tegen een klein terughaalveertje in) naar buiten. De nokken grijpen daarbij in een vertanding aan de binnenkant van de naafhuls. Door de veertjes te vervangen, kan de snelheid waarbij overgeschakeld wordt gewijzigd worden. De twee vlieggewichten zijn d.m.v. een ring gekoppeld, waardoor ze altijd synchroon werken. De schakeleenheid is mechanisch gekoppeld aan de terugtraprem: steeds als er een beetje fink geremd wordt, wordt de versnelling automatisch terug in de laagste (directe) stand geschakeld.

Zowel de Duomatic als de Automatic zijn juweeltjes van vernuft, en zouden vandaag de dag nog zeer goed voldoen, ware het niet dat een fiets tegenwoordig om even mee te tellen minstens zeven versnellingen schijnt te moeten hebben (er is ook een uitstekende automatisch geschakelde drieversnellingsnaaf van Shimano, waarover in een volgend nummer mogelijk meer.

Otto Beaujon

Artikel uit uitgave 3, 2007

Fietsen was in de begintijd van de fiets alleen weggelegd voor de meer sportief ingestelde mensen. Het was gevaarlijk en niet erg comfortabel. De Engelsen noemden een van de eerste modellen niet voor niets een Boneshaker (Bottenschudder). Pas met de uitvinding van de luchtband door Dunlop in 1888 werd fietsen een stuk comfortabeler. Al aan het einde van de 19e eeuw werden pogingen gedaan om het fietsen nog comfortabeler te maken door, behalve in het zadel, ook in het frame vering in te bouwen. Dit soort verende frameconstructies zijn echter pas de laatste tien jaar doorgebroken. Er kleefden aanvankelijk te veel nadelen aan. De wielrijder verloor te veel energie in het veermechanisme. Momenteel worden meestal schokbrekers ingebouwd waardoor het veren wordt gedempt.

Eind 19e eeuw zijn er in Engeland en Amerika verschillende fietsen met vering in het frame ontwikkeld. Een voorbeeld hiervan is de Cushionframe fiets van de Amerikaanse firma Pierce. In Nederland werd deze geïmporteerd door Klaas Baving uit Zwolle. Hij verkocht deze fietsen onder de merknaam ‘Success’ en adverteerde hier veel mee in de ANWB Kampioen. Op de Internationale IVCA rallye in Oirschot van juni dit jaar waren er verschillende verende fietsen van rond 1900 te bewonderen. Zo was er een Scandinavische fiets die geheel gemaakt was van veerstaal. Een Zwitserse deelnemer fietste op een hele hoge schitterend geveerde BSA fiets uit ca. 1910 (zie foto’s). De bovenbuis en de achtervork zijn vlak bij het zadel voorzien van een veermechanisme. Voor de erg mooi uitgevoerde trapas is een draaipunt aangebracht. Deze fiets zit technisch heel mooi in elkaar. Bij dit soort fietsen kan je terecht spreken van een machine, rond 1900 werd deze term veel gebruikt als men over fietsen sprak.

Verende fietsen in Nederland
In Nederland zijn voor zover bekend alleen begin jaren ’50 enkele verende fietsen in productie genomen; Dit waren de Simplex zweeffiets en de Rollsflex. In die jaren ontwikkelde rijwielfabrikant Mulder uit Zwolle ook een verend rijwiel dat echter nooit in serie productie is genomen. Voor die tijd is er ongetwijfeld wel geëxperimenteerd met vering, maar bij mijn weten zijn er geen verende fietsen echt in productie gekomen. Een voorbeeld van zo’n experiment stond in de ANWB Toeristenkampioen van 13 maart 1937. In dit nummer stond een artikel over de vinding van de heer Wessels, die werkte bij de firma H.J. Das uit Rotterdam. Deze had in een bestaand rijwiel een verende achtervork ingebouwd en een draaipunt bij de trapas gemaakt. Dit idee zien we later ook terug bij de verende fiets van Mulder uit Zwolle. De verslaggever van de Kampioen beschrijft zijn ervaringen tijdens een proefritje op deze fiets op de brug bij Zaltbommel: "De helling daar is nogal steil en lang. Toen we dan ook een beetje meer kracht op de pedalen moesten uitoefenen, begon de fiets en ons lichaam dezelfde bewegingen te maken, als een ruiter met paard in draf... Volmaakt is ze nog niet; maar als grondslag, en bedoeld als voorloopig proefwerk, is de heer Wessels met zijn vinding in elk geval op den goeden weg en voorloopig zeker geslaagd."

Rollsflex
De Rollsflex is een verende fiets die in 1948 ontwikkeld werd door H.E. Gravemeijer. Deze heeft samen met S.J. de Groot uit Baarn octrooi op deze vinding gekregen (octrooinummers. 72350 en 79220). Deze fiets had een verende voorvork en achtervering met een spiraalveer en bladveer. Theo Overvliet heeft veel documentatie over deze fiets verzameld, waarvan een kopie in het archief van de vereniging aanwezig is. In 1982 heeft Theo een interview gehouden met de uitvinder van deze fiets, de heer Gravemeijer. In 1950 werd deze vinding door de handelsonderneming van de heer Barneveld uit Baarn in productie genomen. Deze handelsonderneming voerde de naam ‘Rolls Cycles’. Het was een bedrijf dat in kachels deed. Met de Rollsflex ondernam men een uitstapje naar de rijwielbranche. Alvorens met Barneveld in zee te gaan had Gravemeijer ook geprobeerd om Burgers en Stokvis voor deze vinding te interesseren, echter zonder succes.

Voordat de fiets in productie werd genomen heeft S.J. de Groot uit Baarn uitgebreid proeven met de fiets gedaan. Dit leidde volgens de heer Gravemeijer onder andere tot het volgende stuntwerk: - Een man van 240 pond werd in een weiland op een Rollsflex fiets gezet om een tijdje rond te rijden. De fiets hield zich uitstekend, de vering was prima. – Een vertegenwoordiger van de heer Barneveld heeft in Limburg een ladder van 36 sporten uit laten leggen. Daarna verzocht hij verschillende mensen er met een gewone fiets over heen te rijden, het lukte niemand. Hij nam de verende fiets en het ging prima. De Rollsflex had nogal wat kwaliteitsproblemen. De verende voorvorken waren, niet zoals de folder vermeldde van hoogwaardig staal. Barneveld had de productie hiervan uitbesteed bij een fabriek in Enschede en die gebruikte in plaats van naadloos getrokken staal, ijzeren elektriciteitsbuis. Er werd ook een uitvoering in omloop gebracht met dubbele voorvering, maar volgens de heer Gravemeijer had dit helemaal geen zin. Barneveld had blijkbaar meer verstand van kachels dan van fietsen. De Rollsflex is slechts enkele jaren in productie geweest. De licentie overeenkomst met Gravemeijer is in 1956 beëindigd.

Simplex Zweeffiets
Simplex bracht in 1953 de Zweeffiets op de markt. Deze fiets is maar enkele jaren geproduceerd. Het was commercieel geen succes. Veel van deze fietsen zijn uiteindelijk bij verzamelaars terecht gekomen. De fiets heeft een verende voorvork waarbij op het kroonstuk een kantelpunt is gemaakt en de vering in een bladveer zit. Het zadel is ook op een bladveer gemonteerd. Het prototype van deze fiets is lang eigendom geweest van ons clublid Tom de Haer en is nu eigendom van het fietsmuseum te Roesselare in België. Tom heeft dit prototype lang geleden gekocht op het Waterlooplein in Amsterdam. Ik heb helaas geen foto van dit prototype maar als je een keer Roesselare bezoekt kan je goed zien dat het idee is uitgeprobeerd door het frame van een omafiets door te zagen en hier met wat extra buisjes een bladveer in te monteren.

De verende fiets van Mulder uit Zwolle
Rijwielfabrikant Mulder was een inventieve man die verschillende vindingen op zijn naam heeft staan (zie ook De Oude Fiets, 2001/3). In 1953 ontwikkelde hij een verende fiets.
In de voorvork bouwde hij een verende vork. Mulder produceerde al langere tijd verende vorken die hij veel exporteerde naar Indonesië. Ook van achteren werd een verende vork ingebouwd. De torsie die door de vering ontstond ving hij op door boven de trapas een draaipunt te maken. In de Zwolse Courant van 16 juni 1953 werd een artikel aan deze vinding gewijd met als titel Geheim van de smid. Om de details van de vinding voor de pers geheim te houden waren de essentiële onderdelen van de fiets afgedekt met een zeildoek. Samen met zijn zoon probeerde Mulder verschillende fietsfabrieken te interesseren voor deze vinding. Gazelle, Fongers en Union hadden geen belangstelling. Uiteindelijk wilde framebouwer Hartog uit Zeist de fiets gaan maken. Mulder zou 2 gulden per frame krijgen. Met de opbrengst wilde Mulder senior de studie van zijn zoon gaan betalen. Jammer genoeg ging Hartog in die tijd failliet, waardoor de deal niet doorging. Mulder stopte toen zijn pogingen. Het bleef daarom bij dit ene prototype. De fiets is vervolgens in verzamelaars handen terecht gekomen. Via via ben ik op het spoor van deze fiets gekomen. Hij is nu in mijn bezit. In de Zwolse Courant van 10 maart 2007 is evenals in juni 1953 een artikel aan deze fiets gewijd.

Theo de Kogel

Met dank aan Theo Overvliet en Herbert Kuner voor de informatie over de Rollsflex en Zweeffiets.

Artikel uit uitgave 4, 2000

In 1993 heeft het fietsmuseum Velorama een tentoonstelling gehouden over vouwfietsen en deelfietsen met de naam "vouwen of delen”. Ter gelegenheid daarvan is een catalogus uitgebracht waarin wordt ingegaan op de historie van de vouwfiets en een vrij compleet overzicht is gegeven van de gemaakte modellen. In dit artikel wordt een korte samenvatting van de geschiedenis van de vouwfiets gegeven en worden in aanvulling op deze catalogus nog een aantal in Nederland gemaakte modellen beschreven.

Geschiedenis
De eerste vouwfietsen stammen van voor de 2e wereldoorlog. De eerste was een opvouwbare hoge Bi van W.H. Gout. Verder was er toen weinig belangstelling voor het maken van vouwfietsen. Er werden in die tijd wel vouwfietsen voor militair gebruik gemaakt. Voorbeelden hiervan zijn de Wachtendonk van Burgers uit Deventer (1898) en de vouwfiets van Fongers uit 1909. Bekend is verder de Patrooper van BSA die veel in de 2e Wereldoorlog is gebruikt en nog regelmatig op beurzen opduikt. Pas in de jaren ’60 kwam de ontwikkeling van de vouwfiets goed van de grond. In 1962 begint het engelse Moulton met een revolutionaire minifiets die omstreeks 1964 ook in deelbare uitvoering werd gemaakt. In Nederland was Gazelle de eerste fabriek die met een eigen vouwfiets kwam de "Kwikstep” uit 1964.

De belangrijkste reden voor deze hernieuwde belangstelling voor de vouwfiets was opkomst van de auto. De vouwfiets paste goed in de kofferbak van de auto en kreeg ook een belangrijke rol bij voor- en navervoer van treinreizigers. Ook speelde men met vouw- en deelfietsen in op de behoefte om meer trendy fietsen en groeifietsen voor het gehele gezin te maken. Een voorbeeld is de Sparta 8-80 , bedoeld voor de leeftijdsgroep van 8 tot 80.

Nederlandse vouwfietsen uit de jaren ‘60
In de catalogus van Velorama worden de eerste modellen Nederlandse vouwfietsen beschreven. Dit zijn:
Gazelle: Kwikstep 1 1964, Kwikstep 2 1967, Kwikstep 3 1973, Mini-O 1970.
Fongers: Compact 1964
Fongers/Germaan/Phoenix: M66 1966, M2000 1968
Fongers Intercycle 1969, identiek aan de Batavouw
Batavus : Portable 1965, Batavou 1966, Batavouw 1969.
Kapitein : Univouw 1967
Magneet : ABC 1966
Sparta : 8-80 1967
Union : Strano (een minifiets) 1963, Flamingo 1969.

Aanvullingen
Inmiddels is gebleken dat de catalogus van Velorama niet compleet is. Ik geef hieronder een aantal aanvullingen.

Periode voor 1960:
Op kleine of experimentele schaal zijn toen door lokale rijwielfabriekanten vouwfietsen of deelbare fietsen gemaakt. Rijwielfabriek Thiadens uit Groningen heeft in de jaren ’30 een deelbare fiets in serie gebouwd (prijs f37,50).Deze fiets leek op een gewone herenfiets die door verbindingsstukken op de horizontale en schuine framebuis deelbaar was. Op de fietstocht van onze vereniging in Norg van 2000 fietste de heer H.J. Venema uit Roden op zo’n fiets. In de catalogus van de historische wielenmarkt "Vehikel’” uit 1981 staat een foto van een door rijwielfabrikant Mulder uit Zwolle gebouwde deelbare fiets. (zie afbeelding). Deze was door de heer Mulder speciaal gebouwd om in beslagname door de Duitsers te voorkomen. Uit mededelingen van de zoon van de heer Mulder is gebleken dat er hier maar één van is gebouwd. Weet iemand trouwens waar deze fiets is? De vorige eigenaar weet het niet meer. Graag contact opnemen met Theo de Kogel.

Periode na 1960:
Uit het archief van Velorama zijn folders of catalogi aanwezig met daarin de volgende in serie geproduceerde vouwfietsen:

Burgers (toen al overgenomen door PON Amersfoort): Burgers ‘’Autobike” catalogus 1966 (zie afbeelding). De catalogi van 1964 en 1965 waren niet aanwezig in het Velorama. Dit model werd waarschijnlijk al in 1964 gemaakt. Ik heb er zelf een met een Torpedomaaf uit 1963 (letter F) .

Vesting: vouwfiets 1968. In deze brochure uit 1968 adverteert Vesting voor ‘mensen die van vrijheid houden’’ ook speelt men in op de ‘hippe jeugd’ met wervende teksten als: ‘vouw jij je Rapier maar weer op! Ik sta klaar voor een hippe avond met Procol Harum, de Golden Earrings of Dave Clark!”’

Veeno: Venolita vouwfiets. Folder uit 1966

Opmerkelijk is dat de grote (gefuseerde) Fabrieken Simplex en Locomotief geen eigen vouwfiets maakten. In de catalogi van Simplex en Locomotief uit 1966 is de Italiaanse "Graziella” vouwfiets opgenomen. In de hier bijbehorende tekst staat: "”Ofschoon wij van ons zelf weten dat we met een goed product komen zijn wij er niet bang voor uit het buitenland te halen wat hier in de smaak zal vallen”.

Tot slot
Vouwfietsen zijn een interessant verzamelobject. Ze hebben vaak bijzondere technische details en een voor die tijd moderne vormgeving. Ze zijn ook nog vaak goedkoop te verkrijgen. Het is aan de andere kant weer een lastig verzamelobject omdat men geen oog voor de historische betekenis heeft en deze fietsen nog in hoog tempo verdwijnen, overgeschilderd worden en afgeragd worden als camping- of stationsfiets. Het is daarom best lastig om mooie gave exemplaren te bemachtigen. Hier ligt dus een mooie opgaaf voor verzamelaars. Wees er tijdig bij!

Theo de Kogel