nlen

Artikel uit uitgave 1, 2003

 phil01De ontwikkeling van de elektrische rijwielverlichting is door Jos Rietveld beschreven in De Oude Fiets 1999/1. De eerste primitieve modellen stammen uit eind 19e eeuw. Rond 1910 worden de eerste echt buikbare modellen gemaakt. Een voorbeeld hiervan is de advertentie uit de 'Leonidas prijscourant' van 1913 (links). De meeste merken kwamen uit Duitsland, Zwitserland en Engeland. Het Nederlandse Philips is pas later op de markt van rijwielverlichting verschenen. Ik ken in ieder geval geen vroege Philips modellen van voor 1930. Dit artikel geeft een overzicht van de typen rijwielverlichting die Philips in de periode 1930-1965 heeft gemaakt. Het overzicht is zeker niet compleet. Rijwielverlichting is een leuk verzamelobject, maar het is moeilijk om goede documentatie te vinden. De verlichtingsdag die binnenkort in het Velorama wordt gehouden is dan ook bedoeld voor uitwisseling van kennis over rijwielverlichting. Dit artikel geeft een eerste overzicht van de verschillende modellen Philips koplampen en dynamo's.

Overzicht van de modellen
Philips is ongetwijfeld het meest gebruikte merk in Nederland. Heel bekend is de enigszins platte koplamp met het Philipslogo in het verklikkerglaasje bovenop. Deze is heel veel gebruikt en kom je nog vaak tegen op zowel op oude omafietsen als op beurzen. Vaak is dan het kenmerkende Philipslogo uit het verklikkerglaasje verdwenen.

Ik vind dit persoonlijk ook een heel mooie lamp om te gebruiken. Hij geeft een mooie lichtbundel en het leuke van vooral de verchroomde versie is dat je jezelf ziet fietsen in het spiegelende achterdeel.

Philips gebruikte allerlei nummers voor haar modellen. Ook werden letters gebruikt. Ik heb hier echter nog geen goed overzicht van.

Het onderstaande overzicht heb ik samengesteld uit een aantal folders en advertenties (met dank aan het Velorama). Als ik die niet had heb ik foto's gebruikt van mijn eigen Philipsverzameling.

phil02Afbeelding 1

Dit zijn de eerste mij bekende modellen van Philips. Deze zijn van de eerste helft van de jaren '30. De dynamo is een kanteldynamo die op een U-vormige buis is gemonteerd. De eerste lamp van Philips is een bakelieten lamp (onder). Deze was nogal kwetsbaar en is daardoor zeldzaam. Vrij snel daarna kwam ook een klokvormig model op de markt. Zowel de bakelieten lamp als het klokvormige model hebben een fitting achter in de lamp, waardoor het lampje van buiten af te vervangen was. Latere modellen kregen een fitting binnen in de lamp. Om de lamp te vervangen moest je het kapje met de reflector openen. Bij deze modellen hoort een bakelieten achterlicht.

 

 

phil04

 

Afbeelding 2 (boven) geeft een overzicht van Philips lampen en dynamo's van eind jaren '30. Deze lampen zijn erg zeldzaam. Wellicht dat er weinig van deze modellen zijn gemaakt omdat de productie in de oorlog stil viel en men na de oorlog met andere modellen kwam. Ik heb er zelf in ieder geval geen één van. Deze lampen lijken al een beetje op de modellen van na de oorlog. Alleen ontbreekt het verklikkerglaasje met Philipslogo.

 

 phil03

Afbeelding 3 (boven): Dit zijn de modellen van na de oorlog tot in de jaren '50. Dit zijn zeer algemeen voorkomende typen met het Philipslogo in het verklikkerglaasje. De dynamo is van aluminium. Uit die tijd stamt denk ik ook de op de foto afgebeelde dynamo. Van de lampen zijn veel verschillende modellen gemaakt. Zowel koperen als ijzeren, gelakt of verchroomd, korte, lange en middellange. De lange hebben allemaal een schakelaar en twee lichtstanden. De korte hebben dat niet. De middellange hebben beide uitvoeringen. Behalve in Eindhoven was er ook een fabriek in België. Op sommige staat dan ook 'made in Holland' op andere 'made in Belgium'. De Belgische fabriek maakte ook modellen met als ophangsysteem twee beugels die aan weerszijden van de lamp bevestigd zijn.

 

phil05

Afbeelding 4 (rechts): Hierop staat een foto van een variant op het vorige model. Deze is echter veel meer gestroomlijnd. Ik heb deze lamp zelf en heb er nog nooit een advertentie of folder van gezien.

 

 

 

phil06Afbeelding 5 (rechts): Dit is een vrij groot langwerpig model van eind jaren '50 of jaren '60 met kunststof glaasje.

 

 

 

 

 

phil07Afbeelding 6 (rechts): Het laatste model van Philips uit de jaren '60. Een meer gestroomlijnd model met het Philipslogo in het chroom gestanst. Er zijn twee op elkaar lijkende modellen. Het ene heeft het Philipslogo op de voorkant van de kap en de andere op de achterkant.

 

 

 

Tot zover dit overzicht. Als er mensen zijn die meer informatie hebben in de vorm van advertenties of folders dan zou ik graag een kopie of liever nog een scan willen hebben (mailen naar Theo de Kogel). In een vervolgartikel kan ik dan wellicht een completer overzicht geven.

Theo de Kogel

 

Artikel uit uitgave 2, 2002

pedersenDe Pedersen versnellingsnaaf is afwijkend van alle andere types: hij heeft twee assen, zoals een versnellingsbak. Het kettingwiel A zit vast bevestigd aan het tandwiel B. Daar binnenin bevindt zich het freewheelmechanisme. Tandwiel B drijft een kleiner tandwiel C aan dat draait op een as die in kogellagers in de flenzen van de naaf zit. Deze hulpas draait dus in zijn geheel mee rondom de hoofdas van de naaf. Via tandwiel D1 wordt tandwiel E aangedreven, dat op de hoofdas zit maar opzij weg kan schuiven (naar F). Dit tandwiel E dat altijd stilstaat, speelt een vergelijkbare rol als het zonnewiel op de hoofdas van een gewone versnellingsnaaf. Het tandwiel E dwingt D1 om om E heen te draaien en zijn hulpas met de flenzen van de naaf mee te nemen. De naaf draait daarbij met een grotere omwentelingssnelheid dan kettingwiel A. Als je deze beweging precies nagaat, zou je kunnen concluderen dat de naaf achteruit zou moeten draaien, maar dat is alleen het geval als de omwentelingssnelheid verkleint, en de versnelling dus lager wordt inplaats van hoger. Maar omdat de naaf sneller draait dan het kettingwiel draait het tandwiel C in dezelfde richting als B. Voor de lage versnelling is daarom een hulptandwiel F nodig. De beweging loopt dan over A/B, C en D2 via F naar E. De versnellingsmogelijkheden zijn uiteraard afhankelijk van de gekozen verhoudingen van de vertandingen. De ‘normale’ Pedersen naaf heeft een lage versnelling die 33 1/3 % lager ligt dan direct drive en 50 % hoger in de hoogste. Er is ook een uitvoering met twee versnellingen.

Otto Beaujon

Artikel uit uitgave 4, 2004

Bij het restaureren van oude fietsen komt veel kijken. Lastig onderdeel is het aanbrengen van nieuwe biezen. Vaak blijft dit daarom achterwege. Jammer, want goed opgebrachte biezen geven de finishing touch aan een gerestaureerde fiets. Zelf heb ik na een twintigtal gebiesde fietsen deze vaardigheid enigszins onder de knie, hoewel ik een goedwillende amateur blijf. In dit artikel beschrijf ik mijn manier van biezen. Als het even kan laat ik de bestaande lak en biezen intact. Juist de originele lak (met biezen en transfers) bepaalt in belangrijke mate de authenticiteit van een oude fiets. Waar dat kan beperk ik me tot het herstellen van de originele biezen. Een stuk makkelijker dan het aanbrengen van nieuwe biezen, maar altijd een secuur werkje. Kleur en dikte van de aan te helen biezen moeten zoveel mogelijk overeenkomen met het aanwezige patroon. Voor dit karweitje gebruik ik de biezentrekker (buisje met rolwieltje in diverse diktes, te bestellen bij de betere verfhandel). Bij herstel zullen soms ook geheel of gedeeltelijk nieuwe lijnen moeten worden getrokken, die naadloos moeten aansluiten op het bestaande patroon. Kleine oneffenheden werk ik bij met een smal penseeltje. Als de oude lak vervangen wordt, zullen ook de biezen opnieuw aangebracht moeten worden. Van belang is om, voordat de oude lak wordt verwijderd, het oorspronkelijke biezenpatroon zorgvuldig op te meten en vast te leggen. Van waar tot waar lopen de biezen, hoe lopen de dwarse lijnen precies, waar komen uitsparingen voor de transfers?

Bij het zetten van nieuwe biezen is het van belang dat de aangebrachte laklaag droog en hard is. Hoe harder en gladder de laklaag, hoe beter de ondergrond voor nieuwe biezen. Een goede voorbereiding is het halve werk. Zelf bies ik liefst het gestripte frame, dat eenvoudig in een Workmate is te plaatsen. Je moet er makkelijk bij kunnen, al was het maar omdat het aanbrengen van de biezen al lastig genoeg is. Terpentine en schone lappen moeten onder handbereik zijn om fouten snel weg te kunnen werken.

Nadat de biezentrekker op het goede startpunt is geplaatst, is het zaak de bieslijn snel en met vaste hand te trekken. Op ronde buizen gebruik ik de middelvinger als stuurinstrument, door deze als ware glijdend te fixeren langs de onderzijde van de buis. Kunst is om in één soepele beweging de bies te trekken. Op dit punt geldt: oefening baart kunst. Regelmatig gaat het bij mij nog fout; soms zijn vier of vijf pogingen nodig voordat een voldoende resultaat bereikt is. Bijna altijd is sprake van parallelle biezen. De eerste bies is maatgevend is voor de parallelle bies. Erg storend zijn wijkende biezen. In vergelijking met de ronde framebuizen zijn de platte achtervorken een stuk makkelijker. Je hebt hier meer houvast en glijdt minder snel van de buisronding af. Lastig onderdeel is de voorvork, niet alleen omdat de vorkbuizen van ronding veranderen, maar de bies ook in de goede kromming moet worden aangebracht. Bij dubbele biezen op de voorvork is dat nog lastiger.

De spatborden zijn het makkelijkst (die doe ik daarom meestal als laatste). Je hebt aan de rand van het spatbord optimaal houvast, waardoor het bijna niet fout kan gaan. Hetzelfde geldt voor de velgen, die eenvoudig zijn te biezen door de as te fixeren, het wiel langzaam te laten draaien en de biezentrekker op de goede plek vast te houden. Bijzondere aandacht vragen de dwarse biezen, waarmee ‘kaders’ worden gesloten of de bies naar de zijkant wordt afgewerkt. Het aanbrengen van deze korte lijnen is niet altijd simpel doordat je steeds met de ronding van de buis of spatbord mee moet rollen en gemakkelijk wegglijdt. Van groot belang is dat deze haakse (soms schuin weglopende) lijnen goed in patroon komen te staan (asymmetrische patronen kunnen het geheel behoorlijk ontsieren).

Nadat het basispatroon is neergezet volgt de afwerking. Te lange lijnen moeten worden afgekort, wat soms nog met terpentine lukt maar niet zelden door overschilderen (in de kleur van het frame) moet gebeuren. Ook de hoeken moeten netjes worden afgewerkt. Dit gebeurt met een klein penseeltje en luistert nauw. Tegelijk met de biezen zullen vaak nieuwe transfers worden aangebracht. Bijvoorkeur worden originele transfers toegepast dan wel afbeeldingen die daarbij dicht in de buurt komen. Het transfer wordt uitgeknipt met een rand van enkele millimeters om de afbeelding heen. De achterzijde smeren we met een kwastje in met dunne blanke lak. We zorgen dat de framelak op de betreffende plaats vetvrij is en plakken daar het transfer op zodra de lak ‘pikkerig’ is (als het goed is hecht het transfer dan gelijk). Nadat de blanke lak goed droog is (meestal een kwestie van uren), deppen we de voorzijde van de transfer (dun, beschermend vloeipapier) met een nat sponsje en kunnen dan het papiertje er voorzichtig aftrekken. Als het goed is komt het transfer nu in volle glorie tevoorschijn. Soms blijkt dat de hechting aan de ondergrond niet helemaal goed heeft plaatsgevonden en laat deze hier en daar los. We kunnen dit verhelpen door voorzichtig een laagje blanke lak over het transfer als geheel op te brengen.
Als de originele transfers (al dan niet beschadigd) nog aanwezig zijn, verdient het overigens de voorkeur deze bij te werken. Ook dat is een precies karweitje.

Zelf bies ik inmiddels een fiets in een uurtje tijd. Het resultaat is niet van hetzelfde niveau als dat van de fabrikanten (die hiervoor vaak specialisten in dienst hadden), maar goed genoeg voor de restauratiepraktijk. Mooie biezen maken de fiets in decoratief opzicht af, maar andersom geldt dat slecht opgebrachte biezen (te dik, scheef of kronkelig) afbreuk doen aan de gerestaureerde fiets. Als u de vaardigheid niet voldoende onder de knie heeft, is het beste advies om dit gevoelige klusje uit te besteden. Een klein aantal sierschilders beheerst deze oude techniek, maar ook onze club telt een aantal vaardige leden. Misschien is het een idee nog eens een workshop op dit gebied te organiseren.

Jos Rietveld