nlen

Artikel uit uitgave 1 van 1997

Onlangs stuitte ik op een reeds lang gezochte vooroorlogse Burgers fiets, in originele maar vrij slechte staat. Na de aankoop volgde een intensieve periode van restauratie. Dit bleek een proces te zijn met ups en downs, zowel in technisch opzicht als voor de uitvoerder. Het leek mij aardig dit proces eens te beschrijven, met bijzondere aandacht voor de dilemma’s en belevingen. Het restaureren (deskundig opknappen en herstellen) van een oude fiets is te onderscheiden in enkele fasen:
a)  aanschaf
b)  diagnose
c)  restauratieplan
d)  demontage
e)  opknappen
f)  verzamelen ontbrekende of nieuwe onderdelen
g)  montage
h)  evaluatie

Het aardige van de fasen is dat steeds sprake is van technische- en belevingsaspecten. Er is geen handboek voor restauratie, zodat de restaurator in al deze fasen eigen afwegingen moet maken. Ik ga kort in op deze fasen, aan de hand van mijn eigen ‘casus’.

a) aanschaf
Al lange tijd zocht ik een oude Burgers fiets in redelijke staat. Onlangs bleek Gert-Jan Moed er één over te hebben. Het betrof een herenfiets model A uit ca. 1936 (vastgesteld aan de hand van oude facturen en de gecombineerde nikkel-/chroom-uitvoering). Deze fiets was technisch redelijk origineel (behoudens het achterwiel en het ontbrekende zadel), zat nog in de originele lak, maar verkeerde in vrij slechte staat (veel roest). Op dat moment moest een afweging worden gemaakt tussen de wens om een dergelijke fiets te hebben en de kosten en moeite van restauratie. Dit vereist een inschatting van de noodzakelijke activiteiten (eigenlijk een eerste, ruw restauratieplan) en de hiermee gemoeide ‘kosten’. Naarmate de fiets voor de verzamelaar waardevoller is zal hij er meer kosten en moeite over hebben, zo is mijn stelling.
In mijn geval besloot ik de fiets dus te kopen (voor een redelijk bedrag), in de wetenschap dat ik mij veel werk op de hals haalde. Op te merken valt dat deze beslissing in hooguit 10 minuten werd genomen.

b) diagnose
Bijzonder spannend, om niet te zeggen opwindend, is de diagnose van de zojuist verworven aanwinst. Alle (uiterlijke) kenmerken van de fiets kunnen zorgvuldig worden bekeken, waarbij zich zowel verrassingen als teleurstellingen voordoen. Zo bleek in mijn geval dat een aantal roestige onderdelen (balhoofdstelsel) nog te reinigen was en dat onder de oude jasbeschermers nog ongeschonden lakwerk aanwezig was. Maar ook dat ca. 80 % van het lakwerk was aangetast door onderliggende roest en dat het nikkel van de linkercrank er gewoon afgetrokken kan worden. Direct dringen zich de eerste keuzen op: waar doe ik niets aan, wat moet ontroest worden, welke onderdelen moeten vervangen?

c) restauratieplan
Na de diagnostiek dient een plan voor restauratie gemaakt te worden. Dit is de meest cruciale fase in het proces. Tussen de uitersten van ‘alles laten zoals het is’ en ‘zoveel mogelijk terugbrengen in nieuwstaat’ liggen vele opties.
De trend in restauratieland is om terughoudend te zijn voor daadwerkelijke vernieuwing. Als besloten wordt om zaken te veranderen, dan liefst op een manier die eventuele ‘terugrestauratie’ weer mogelijk maakt. Deze trend is gebaseerd op de opvatting dat de doorlopen geschiedenis van het restauratie-object een wezenlijk deel is van de staat waarin het thans verkeert.


Toch doen zich in deze fase talloze dilemma’s voor, zoals:
- Laten we roestige gelakte onderdelen doorroesten, verwijderen we alleen de roest of lakken we alles opnieuw?
- Laten we afgebladderde vernikkelde onderdelen in tact, maken we alles blank of gaan we opnieuw vernikkelen?
- Vervangen we half kapotte onderdelen of juist niet?
Alles hangt af van de restauratie-opvatting. Zelf heb ik geprobeerd zoveel mogelijk uitvoeringskenmerken te behouden, maar wel de roestvorming te verwijderen. Dit leidde tot een tamelijk ingrijpende aanpak met compromissen als:
- Gedeeltelijk nieuw lakken (70 %) en gedeeltelijk instandhouden (30 %)
- Roestvorming op vernikkelde en verchroomde onderdelen verwijderen, zodat een ‘gevlekt’ resultaat ontstaat
- ‘Zachte’ onderdelen, ook in discutabele staat, behouden (kettingkast, oude velglinten)
Soms moet het plan nog worden bijgesteld tijdens het opknappen zelf (als dingen meevallen of juist niet).

d) demontage
Start van het restauratieproces. Spannend om te zien wat er tevoorschijn komt en in welke staat de draaiende onderdelen zich bevinden. Ook riskant omdat onderdelen soms afbreken of beschadigd raken. Van belang is de onderdelen bij elkaar te houden en aparte constructies vast te leggen.
Het restauratieplan kan nu definitief worden vastgesteld, met inbegrip van de te vervangen of te repareren onderdelen.

e) opknappen
Nu breekt de meest arbeidsintensieve fase aan. Elk onderdeel dient tenminste te worden schoongemaakt. Wanneer besloten is te ontroesten, dient de restaurator zich in te stellen op onaangenaam werk. Het is de fase waarin geïnteresseerde omstanders meewarig het hoofd schudden. Ook de uitvoerder zelf zal zich in deze fase nog wel eens afvragen waaraan hij toch begonnen is. Te laat, er is nu geen weg meer terug! Alleen noeste arbeid kan er toe leiden dat de hoop kale onderdelen straks weer hun eigenlijke functie zullen terugkrijgen.

Schuren en lakken herhalen zich enkele malen (tenzij dit klusje wordt uitbesteed). Langzaam maar zeker krijgen de enkele tientallen onderdelen (inclusief bevestigingsmaterialen) een nieuw aanzien.

Bijzondere aandacht is vereist voor het opknappen van de ‘zachte’ onderdelen, in verband met hun kwetsbaarheid. Hetzelfde geldt voor het opnieuw biezen, een zeer precies werkje.

Hoewel de onderdelen soms een metamorfose ondergaan, blijft het nieuwe beeld van de fiets nog onduidelijk. De nieuwsgierigheid naar het eindresultaat is naar mijn ervaring een belangrijke drijfveer in deze fase.

f) verzamelen ontbrekende of nieuwe onderdelen
Aan de hand van oude folders kan veelal een tamelijk compleet beeld worden gekregen van het oorspronkelijke uiterlijk van de fiets. Het is de kunst de fiets (bij volledige restauratie) zoveel mogelijk het oude aanzien te geven. Soms is dit moeilijk doordat originele onderdelen niet meer te vinden zijn. Het is dan zaak substituut-onderdelen te gebruiken, die dicht in de buurt komen. Zelf besteed ik veel aandacht aan de selectie van de secundaire onderdelen zoals verlichting, slot, bagagedrager etc. Deze moeten bij voorkeur dateren uit het bouwjaar van de fiets, liefst in gebruikte vorm. Bij mijn laatste object heb ik moeite moeten doen om banden zonder reflectiestrip te vinden. Deze worden nog wel gemaakt door Vredestein, maar in principe alleen voor de export.
Als het goed is zijn alle onderdelen nu beschikbaar, in de beoogde staat.

g) montage
Eindelijk is het dan tijd voor de mooiste fase van het proces, de montage. In een paar uur tijd krijgt de fiets nu zijn nieuwe gedaante. Deze fase is steeds verrassend ondanks het intensieve denk- en handwerk, dat hieraan voorafging.

De technische afstelling vraagt veel aandacht (zeker bij nieuwe of gerepareerde onderdelen) en de uiterlijke afwerking evenzeer.
De eerste proefrit is een sensatie op zich; werkt alles, hoe loopt de fiets, hoe oogt hij? Gedurende het restauratieproces is de fiets een gekoesterd object geworden, waarvan alle delen ‘gekend zijn’. De restaurator voelt inmiddels een grote betrokkenheid, zo niet dierbaarheid voor zijn (nog steeds) stalen object.

h) evaluatie
Nu het hoogtepunt voorbij is en de gemoedsrust weergekeerd, is het zaak de uitgevoerde restauratie op waarde te schatten. Het oordeel van anderen kan daarbij een rol spelen, maar belangrijker is wat de restaurator zelf van zijn inspanningen vindt. Het lastige is dat er geen objectieve maatstaf is en het oordeel dus per definitie subjectief is. Opnieuw moet een afweging plaatsvinden tussen de ‘technische’ specificaties van de gerestaureerde fiets en de belevingswaarde daarvan. Mijn ervaring is dat de restaurator zelden 100% tevreden zal zijn; het kan altijd beter, er is altijd een zekere oorspronkelijkheid verloren gegaan, het spanningsveld tussen nieuw en oud kan anders etc. Een goede restauratie is echter zodanig uitgevoerd dat er -bij nader inzien- altijd nog zaken gewijzigd kunnen worden, liefst naar een meer oorspronkelijke staat.

Bij een evaluatie kan het helpen om het uiterlijk van de gerestaureerde fiets te vergelijken met de staat waarin hij werd aangetroffen (d.m.v. foto’s). Het opknappen van mijn Burgers (jawel, hij behoort inmiddels bij mij) vroeg een kleine 50 uur werk. Het resultaat stemde mij redelijk tevreden. Daarnaast werd een klassieke, oer- Hollandse fiets geconserveerd, hopelijk voor langere tijd.

Het zou in dat verband aardig zijn de bekende voorraad antieke fietsen in Nederland nog eens te inventariseren. Een dergelijke inventarisatie kan het ‘erfgoed’ op dit gebied toegankelijk maken en brengt daarnaast

Jos Rietveld